Geschiedenis Joods Deventer

door Herman Vrielink

Deventer heeft zich in de eerste helft van de vorige eeuw onderscheiden als een stad waar veel is gedaan voor Joodse vluchtelingen.

Al vóór de Eerste Wereldoorlog kwamen hier jongelui naar het station om Joden die waren uitgeweken voor pogroms in Oost-Europa, te helpen met water en thee.

Vanaf 1918 zette de Vereniging tot Opleiding van Palestinapioniers zich in voor het idealistische ideaal van een Joodse staat in Palestina. De gedachte was dat Joden in een eigen land gevrijwaard zouden zijn van vervolgingen. Na 1933 kwam een groot deel van die Palestinapioniers uit het buitenland, vooral uit Duitsland, waar Hitler en de nationaalsocialisten in Duisland aan de macht waren gekomen (1933). In datzelfde jaar richtte men in Deventer een afdeling op van het CJV, het Comité voor Joodse Vluchtelingen. En na de Reichskristallnacht (november 1938) werd de jeugdherberg De Kleine Haar in de gemeente Gorssel ingericht als vluchtelingenkamp voor jongens; het werd vanuit Deventer bestuurd. Het zal dan ook niet verbazen dat er naar verhouding veel Joodse vluchtelingen in Deventer terechtkwamen: vóór het begin van de deportaties ongeveer 80 bovenop een Joodse populatie van zo'n 510 zielen. Als wij de 50 à 60 kinderen in De Kleine Haar en nog een aantal gezinnen in het buitengebied van het Deventer CJV meetellen, praten wij over een aantal van meer dan 140. 

Grote betrokkenheid (1903) 
In het jaar 1903 werd het Russische Kisjinev geteisterd door hevige pogroms. Veel van de slachtoffers kwamen met de trein ons land binnen, doorgaans op doorreis naar verdere bestemmingen. In Deventer hielden "de lange troosteloze treinen" een moment halt. Een groepje jongelui onder aanvoering van David Cohen voelde zich geroepen iets voor hen te doen. In 1955 blikt Cohen hier in zijn Zwervend en dolend op terug: "In mijn geboorteplaats Deventer vonden mijn vriend Henri Gelder en ik enkele anderen bereid om met ons aan het station de emigranten, die er voorbij kwamen, wat troost te bieden door hun thee of water mede te geven...". Voor de jongelui was het een inspirerende ervaring: "De kennismaking met hen is voor velen van ons beslissend geweest voor het leven. De Russische en Poolse, de Rumeense en Oostenrijkse Joden, wij voelden meer dan wij begrepen met hen een verwantschap, die eeuwen van scheiding niet hadden vernietigd. Wij achtten, wellicht hen idealiserend, de geest dier uitgewekenen, die in de ellende hun Jodendom hadden bewaard, de zuurdesem van het Joodse volk. Hoe laafden wij ons aan de woorden van hen, die voor ons de verpersoonlijking waren van de oude Joodse geest". 1. 1903Op het station in Deventer zag de journalist Asser Benjamin Kleerekooper (hij zou in 1909 de zionistische beweging de rug toekeren om toe te treden tot de SDAP, de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij) de jongens en meisjes aan het werk en schreef hierover in zijn Zionistisch schetsboek: "In Deventer heb ik ze gezien, om half vijf 's middags, aan het kleine station van de Hollndsche Spoor. Zoodra de trein stònd, kwam

Foto uit: "Joods Leven" van Henk van Baalen. De trein met Joodse vluchtelingen uit Oost-Europa staat aan het Hollands Spoor in Deventer.
Jongens en meisjes laven hen met water en thee. 

een troepje jongelui het perron op, met emmers water en drinkkroezen in de hand, om toe te treden op de have-loozen. Dan werd er geschonken en ketels gevuld, drukgevraagd, en gepraat, aangemoedigd en gedankt, gehuild en getroost. Soms legde 'n grijsaard z'n dorre handen op de hoofden der jongelieden, om ze naar zijn Joodsche wijze te zegenen. Deze laatsten aanvaardden dan eerbiedig dezen zegenwensch van 'n grijsaard huns volks. Dàn zette de trein zich weer in beweging. Een vluchtige groet, zakdoekgewuif, wegstervende saluutjes uit de kindermonden hoog-boven in de veewagens, en vóórt ging het de wijde wereld in, naar Rotterdam, en dan de zee op, naar Amerika of èlders."
Ook in groter verband hield David Cohen zich bezig met de organisatie van vluchtelingenhulp. Met geestverwanten uit Oldenzaal en Amersfoort richtte hij in datzelfde jaar 1903 de Grensvereniging voor Emigranten op. In samenwerking met andere organisaties in Nederland en Duitsland zette deze vereniging zich in voor de landverhuizers "wanneer hun wegens gemis aan onvoldoende papieren en scheepsbiljetten de toegang tot Nederland werd geweigerd; door onderhandelingen met Nederlandse autoriteiten en de grote organisaties kon dan in zeer veel gevallen terugzending naar Duitsland en vandaar wel naar het Oosten, worden vermeden". 

De Vereniging tot Opleiding van Palestinapioniers (1918) 
2. deventer verenigingIn 1918, toen er door de grenswijzigingen aan het einde van de Eerste Wereldoorlog opnieuw vluchtelingenstromen vanuit Oost-Europa op gang kwamen, ging Cohens Grensvereniging op in een overkoepelende organisatie, het Centraal Bureau van Transmigrantenverenigingen. Transmigranten waren vluchtelingen voor wie  Nederland slechts een doorgaansland was. Velenemigreerden naar de Verenigde Staten, maar ook Palestina werd een belangrijke bestemming, vooral toen het als mandaatgebied onder Engels bestuur was komen te bestaan en de Britten Joodse immigratie toestonden. Ter ondersteuning richtte Ru Cohen, een broer van David, in 1918 de Vereniging tot Opleiding van Palestinapioniers op, in de wandeling de "Deventer Vereniging" genoemd:

Foto uit: "Joods Leven" van Henk van Balen. De Vereniging tot Vakopleiding van Palestinapioniers verzorde een agrarische opleiding voor aanstaande emigranten
naar Palestina.

onder leiding van Ru en zijn vrouw Eef Koningsberger werden de chaloetsim  (Hebreeuws voor Palestinapioniers) voorbereid op een kolonistenbestaan in Palestina door voor hen een opleiding bij boeren en tuinders in de omgeving van Deventer te organiseren. Zo had de hulp aan vluchtelingen in Deventer een zionistische structuur gekregen.

Het CJV 
De machtsovername van Hitler op 30 januari 1933 brengt een uittocht van vluchtelingen op gang, vooral na de invoering van de Judenboykott op 1 april: Joodse ambtenaren worden ontslagen en Joodse bedrijven geboycot. De maatregel gaat gepaard met vernederingen en intimidaties. Voor Joodse bedrijven, voor de huizen van artsen en de kantoren van advocaten staan bruinhemden om bezoekers tegen te houden. Winkels worden besmeurd, ruiten ingegooid, koopwaren geroofd of vernield, sommige Joden worden met beledigende opschriften rondgeleid en met de gemeenste woorden uitgescholden, de eerste Joden in concentratiekampen opgesloten en sommigen vermoord. Weer is het David Cohen die zijn organisatorische talenten inzet om zijn verdrukte volksgenoten te hulp te komen. Op 21 maart roept hij samen met zijn vriend, de Amsterdamse diamantair Asscher, het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen (het CBJB) in het leven om steun te verlenen aan onbemiddelde vluchtelingen. Na de Judenboykott wordt het Comité voor Joodse Vluchtelingen (het CJV) opgericht als onderafdeling van het CBJB. Asscher wordt voorzitter, maar de secretaris, David Cohen, is de drijvende kracht.

Vreemdelingenregister van de Deventer Politie, 1933

  jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec
                         
Aantal Joden     1 22 8 1 6 4 2 5 2 2
Vluchtelingen     1 14                
Vluchtelingen?       3 2   2     3 2 2
Palestinapioniers       5 4   1 1        
Gebleven       3 2         1    
Teruggekeerd       7 2   2 3 1 1    

Ook voor Deventer hebben de ontwikkelingen in Duitsland gevolgen. In april 1933 zien wij in het register van de vreemdelingenpolitie te Deventer een piek in het aantal Joden.

Herman Gelder richt een plaatselijke afdeling op van het CJV. Hij is een broer van David Cohens vriend Henri, die in 1903 mee had gewerkt aan de opvang van Russische vluchtelingen aan het Deventer station. Gelder vindt de leden voor zijn comité in de bovenlaag van de Joodse gemeenschap. Hijzelf is voorzitter van de kerkenraad van de joodse gemeente. De voorzanger en godsdienstonderwijzer, Benjamin Behr, zal later in 1936 of 1937 het secretariaat op zich nemen. Heinrich Spanier, de penningmeester is eigenaar van een voorname modezaak aan de Lange Bisschopstraat. Hartog van Esso en Gelder zijn lid van de in Deventer gevestigde Veritasloge van deOdd Felows. Niet iedereen voelt in deze kring welkom. Moos Polak, de bekende rijwielhandelaar, die in februari 1939 tot het comité toetreedt, houdt het er nog geen maand uit. Hij schrijft aan Van Gelder: "Mijnheer, Hiermede heb ik de eer, U te berichten dat ik bedank als lid van dit comité, daar ik niet wensch gebruikt te worden als comité-lid, zonder als zoodanig erkend te worden". Hij voelt zich meer op zijn plaats bij Go-Ahead.
5. gelderHet CJV gaat onmiddellijk aan het werk. Het zet "spoorwachten" uit en regelt huisvesting voor vluchtelingen. Wij weten bijvoorbeeld dat Arthur Bloch, afkomstig uit Bünde in Westfalen, in contact komt met het vluchtelingencomité en in april enige tijd onderdak vindt in Deventer. Een maand later durft hij met zijn gezin weer naar Duitsland terug te keren. Vanuit Oldenzaal

Foto uit: "Joods Leven" van Henk van Baalen. Hartog (Herman) van Gelder was voorzitter van de joodse gemeente in Deventer en van de plaatselijke afdeling van het
Comité voor Joodse Vluchtelingen. De foto is gemaakt ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de synagoge in Deventer. Gelder staat in het midden tussen de 2 agenten.

schrijft hij aan Gelder een brief, waarin hij zijn dankbaarheid uitspreekt voor de gastvrijheid die hij en zijn gezin genoten hebben bij bakker De Leeuw in de Nieuwstraat, "die uns in ihrem gemütlichen Heim die Schwere der Zeit durch Aufmerksamkeiten aller Art haben vergessen lassen, auch unsere Kinder hätten es nirgends trefflicher als bei Familie de Leeuw haben können und sprechen sie immer von Tante Martha, Tante Helene, Onkel Lau und Onkel Luï". Maar door de boycot is zijn handel in manufacturen in Bünde ten dode opgeschreven. Hij probeert in Oldenzaal een handel in pluimvee op te zetten, maar heeft te weinig startkapitaal, daar zijn klanten in Duitsland hun schulden niet betalen. Hij vraagt of het comité in Deventer hem wil helpen met een langlopende lening. Dit zou kunnen bij het Comité voor Specifieke Belangen, die door het CBJB in het leven was geroepen. Of Bloch dat geld gekregen heeft, weten wij niet. Wel horen wij dat hij in Duitsland in een concentratiekamp heeft gezeten en daaruit is ontsnapt en dat hij in 1939 voldoende geld heeft om voor zich en zijn gezin passage te boeken op een schip naar Amerika.

Het vluchtelingenbeleid van de Nederlandse regering
De Nederlandse regering reageert op de toeloop van Joodse vluchtelingen met een restrictief toelatingsbeleid. Minister van Justitie Van Schaick laat eind juni 1933 weten dat hij geen nieuwe vluchtelingen toe wil laten. Al wordt de soep zó heet niet gegeten. In maart van het jaar daarop besluit de ministerraad toch dat vluchtelingen niet meer aan werk geholpen mogen worden. Alleen de Joodse kolonie in Wieringen krijgt nog drie jaar respijt. Net als de Deventer Vereniging dient dit werkdorp in de nieuwe polder Wieringermeer om Joden op te leiden voor een agrisch of ambachtelijk beroep en hen zovoor te bereiden op emigratie. Het is duidelijk dat deze opzet past binnen het beleid van Den Haag, dat er op gericht is de vluchtelingen zo veel mogelijk het land uit te krijgen. Voor Palestinapioniers uit het buitenland wordt het vanaf 1933 een stuk moeilijker gemaakt ons land binnen te komen. De regering vreest dat vluchtelingen langs deze weg onder valse voorwendsels aan een verblijfsvergunning probeerden te komen. Wij horen in Deventer van ene Ernst Loeb, die contact met Ru Cohen heeft gezocht, maar door hem moet worden doorverwezen naar Wolf Zwartz, de secretaris van het CJV. Zwartz schrijft hem dat hij alleen een verblijfsvergunning kan krijgen als hij over eigen middelen beschikt en dat hij zelf in Berlijn achter een certificaat voor Palestina aan zal moeten.  

Inzamelingsacties 
Tot de belangrijkste activiteiten van het Deventer vluchtelingencomité behoort het inzamelen van geld. Het bestrijkt een groot gebied: niet alleen dorpen als Twello, Diepenveen, Olst en Wijhe, die al behoren tot de joodse gemeente van Deventer, maar ook een groot deel van de Gelderse Achterhoek, bijvoorbeeld Gorssel, Joppe en Lochem.

4. affiche-vluchtelingenhulp 1937

In het najaar van 1937 reizen Benjamin Behr en Heinrich Spanier (de secretaris en penningmeester) naar Doetinchem, Borculo en Winterswijk om de gemeenten daar over te halen een geldbedrag toe te zeggen. David Cohen probeert de financiële hulp te centraliseren en plaatst deze al in maart 1933 onder toezicht van de Financiële Commissie van het Noodfonds 1933, net als het CJV een onderafdeling van het CBJB en gevestigd in Amsterdam. In oktober gaat Deventer hier schoorvoetend mee akkoord, op voorwaarde dat het op de hoogte gesteld wordt van wat er gebeurt met het geld dat het in zijn district heeft opgehaald. In januari 1934 benadrukt het alleen mee te willen werken aan de landelijke inzamelingsacties als het te horen

Foto: Affiche van het Comité voor Joodse Vluchtelingen ten behoeve van het inzamelen van geld.

zal krijgen welke bedragen andere comités ophalen. Het toont zich ontevreden over de verstrekte informatie en wil weten waarvoorer wekelijks een bedrag van ƒ 7.000,= nodig is, "nu de stroom vluchtelingen tot staan is gekomen". Nog in 1936 vraagt men zich af of de kleinere gemeenten wel genoeg bijdragen. De offers worden als zwaar ervaren en men wil zeker zijn dat men niet meer betaalt dan anderen.

Om aan geld te komen worden propaganda-avonden, collectes en loterijen georganiseerd. Nu eens is het een kunstavond, een andere keer treedt prof. David Cohen met groot succes op als spreker. Kleine ergenissen over geldkwestiesblijven terugkeren. Men vindt het geen stijl dat door het Financiële Comité van het Noodfonds 1933 twintig guldenvoor het lenen van grammofoonplaten in rekening wordt gebracht. Als het zo moet zal Deventer niet meewerken aan de landelijkeloterijactie. Geleidelijk wordt geprobeerd het vluchtelingenwerk een meer permanente financiële basis te geven door om vaste bijdragen te vragen. Een bescheiden begin is die ene gulden die de handelsagent Benjamin de Vries iedere maand betaalt. In 1936 doet men een beroep op de meer welgestelde Joodse ingezetenen van Deventer en omstreken en de meesten zeggen toe een vaste bijdrage te zullen storten. In de meeste gevallen is dit een gulden of tien per maand. Pas na de Reichskristallnacht in november 1938, als niemand meer de ogen kan sluiten voor de wanhopige situatie van de Joden inhet Duitse Rijk, gaan de portemonnees wijder open. 

De Reichskristallnacht (1938) 
Landelijk zwelt het aantal asielaanvragen aan tot 50.000. De Nederlandse regering zet in eerste instantie 600 extra grenswachten in ter "bescherming van het eigen volk", maar wijkt voor de druk van de publieke opinie en verklaart zichbereid tot een tijdelijke versoepeling van het beleid. "Enkele duizenden vluchtelingen" krijgen een verblijfsvergunning, op voorwaarde dat zij in kampen worden gehuisvest en dat alles ter bevordering van emigratie zal worden ondernomen. De gevolgen voor Deventer blijkt weer uit het register van de vreemdelingenpolitie: 

 

  jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec
                         
Aantal Joden 3 1 5 5 6 9 12 8 12 3 10 20
Vluchtelingen       1 2 2         8 8
Vluchtelingen? 1   1       2   3   1  
Palestinapioniers   1 1 3 3 6 4 2 3   1 10
Gebleven 1     1 1       3   1 3
Teruggekeerd 1 1 3 1 2 3 6 4 2 1 1 4

Op 12 maart 1938 wordt Oostenrijk ingelijfd bij het Duitse Rijk. Dit verklaart voor een belangrijk deel de toename van het aantal Joodse vreemdelingen - totdat de toestroom door het restrictieve regeringsbeleid wordt ingedamd. Na de Reichskritallnacht (9-10 november) worden de toelatingseisen tijdelijk versoepeld.

3. beth chaloets fotoHet vluchtelingencomité in Deventer wordt nu overstelpt door aanvragen van Joden die in Duitsland proberen weg te komen. Iedere keer weer is het een worsteling om door de Nederlandse bureaucratie niet van het kastje naar de muur gestuurd te worden: Het Ministerie van Justitie verwijst naar het Ministerie van Binnenlandse Zaken, Binnenlandse

Foto van EHC. Palestinapioniers op het dak van het Beth Chaloets, het tehuis van Palestinapioniers in de Papenstraat.

Zaken naar Justitie. Als het CJV in Deventer Joods personeel uit Duitsland wil aantrekken voor het nieuw op te zetten kamp voor vluchtelingenkinderen in de jeugdherberg De Kleine Haar, wil de Rijksdienst der Werkloosheidsverzekering en Arbeidsbemiddeling (Binnenlandse Zaken) een werkvergunning voor deze vier personen "in gunstige overweging" nemen als zij een verblijfsvergunning van de minister van Justitie hebben. Deze verblijfsvergunning kunnen zij echter pas krijgen als zij over een werkvergunning beschikken. Sommigen hopen hier via de Vereniging tot Opleiding van Palestinapioniers een werkplek bij een boer te krijgen, maar die aantallen zijn aan een maximum gebonden en het opzetten van nieuwe opleidingen wordt door Den Haag niet toegestaan. 

Noodfonds voor Polen 
Een bijzonder vraagstuk vormt de hulp aan Joodse vluchtelingen in Polen. In 1938 is ook daar hun aantal sterk toegenomen en zij leven er veelal in erbarmelijke omstandigheden. De Nederlandse regering is extra terughoudend in het toelaten van vluchtelingen uit Oost-Europa en stelt zich op het standpunt dat Polen zelf verantwoordelijk is voor de opvang van de vluchtelingen die zich daar aanmelden. Als het Centraal Comité Noodactie voor de uit Duitschland naar Polen verdreven Joden een inzamelingsactie organiseert, verzet het CBJB zich daartegen: de inzamelingsacties voor vluchtelingen in eigen land worden er immers door bemoeilijkt. De secretaris van het Noodfonds voor Polen, J.M. Kleerekoper, komt speciaal naar Deventer om zijn zaak bij Meyer van Spiegel te bepleiten. Vergeefs: het CJV in Deventer besluit na ruggespraak met Cohen en Gomperts in Amsterdam geen medewerking aan de inzamelingsacties te verlenen. Men komt evenwel op andere gedachten door de ontdekking dat kinderen het slachtoffer van dit beleid dreigen te worden. Het Kinder-Comité (nóg een subcommissie van het CBJB) laat weten dat Deventer zich niet hoeft in te spannen voor de kinderen Rosenfeld, omdat Poolse Joden toch niet in Nederland toegelaten worden. Die moeten maar proberen met toestemming van Bevin (de Britse minister van Buitenlandse Zaken) naar Engeland te komen. Deventer protesteert bij het CBJB in een schrijven van 30 november en er wordt een conferentie in Amsterdam belegd om de kwestie uit te praten. Op 17 december kan het Comité voor devluchtelingen in Polen melden dat de mededelingen van het CBJB op een misverstand berustten: "Onze actie heeft de volle medewerking van bovengenoemd comité". Deventer draagt ƒ 200,= voor de vluchtelingen in Polen af en blijft de samenwerking mat de actiegroep voor de vluchtelingen in Polen voortzetten tot de Duitsers dat land binnenvallen.

De Kleine Haar 
Na de Reichskristallnacht krijgt het vluchtelingencomité in Deventer ook de verantwoordelijkheid voor een opvangkamp, dat voor 57 kinderen van vijf tot vijftien jaar zal worden ingericht in de jeugdherberg De Kleine Haar in de gemeete Gorssel, gelegen tussen Epse en Bathmen. Het ministerie van Binnenlandse Zaken betaalt het CJV te Deventer een gulden per persoon per dag om de kinderen te verzorgen. Eén kwartje van dit bedrag is gereserveerd om de jeugdherberg in te richten overeenkomstig de joodse rituele voorschriften. Dertig bedden en toebehoren komen van het plaatselijke Rode Kruis, voor de rest zal het ministerie zorgen. Het CJV stelt een speciale subcommissie in, bestaande uit de Deventer onderwijzer Ijssenagger namens de Stichting Jeugdherberg Deventer (hij wordt belast met de materiële verzorging van de jongens), Herman Gelder en Heinrich Spanier namens het CJV (financieel beheer) en Ru cohen, die wordt ingeschakeld omdat er ook Palestinapioniers in de jeugdherberg verblijven. Het CJV in Deventer voert geregeld overleg met instanties als het Kindercomité van het CBJB in Amsterdam en het Vluchtelkingenbureau van het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag. 
De Kleine Haar is duidelijk bedoeld als een tijdelijke opvang voor de vluchtelingenkinderen. Herbert Hecht is een van de jongens die er in 1939 heeft gezeten. Hij was zich er destijds zeker van bewust dat hij en zijn lotgenoten niet in Nederland konden blijven. Hij schrijft in 2005 vanuit zijn woonplaats Beverly Hills: "I was quite aware that we could not become permanent residents of Holland. There was a higly exaggerated fear that we might contribute to unemployment which was decreasing at the time but still quite high. There was no concerted effort to teach us Dutch, but most of uspicked it up from newspapers, radio and books. The Vluchtelingen Committee in Amsterdam knew that I had a number for a U.S. visa and made sure that I met all the conditions when I became elegible in September 1939". Om zich voor te bereiden op emigratie krijgen de kinderen een opleiding voor een ambacht of een ander beroep. Achttien kinderen kunnen geplaatst worden op de ambachtschool in Deventer. Dat is echter niet genoeg. Er is nog wel een plekje voor enkele jongens vanzestien tot achttien jaar bij de Centrale Werkplaats voor Jeugdige Werklozen in Deventer of anders zijn er stageplaatsen bij enkele bedrijven beschikbaar, maar de minister van Binnenlandse zaken steekt daar een stokje voor. In juni worden nog enkele jongens toegelaten op de ambachtschool in Zutphen. De jongere kinderen gaan naar de Openbare Lagere School in Epse.
6. dev dagbl kl haar 2

Foto uit het Deventer Dagblad. Joodse vluchtelingen uit Duitsland, hier voor de jeugdherberg De Kleine Haar.

Op 9 januari 1939 arriveert de eerste groep van drieëndertig kinderen, de volgende dag gevolgd door nog eens twaalf. Het aantal kinderen schommelt, doordat er veelvuldig jongens worden overgeplaatst, bijvoorbeeld om ze dichter bij hun ouders te laten zijn of omdat men vrienden niet van elkaar wil scheiden. In totaal verblijven er dat jaar voor kortere of langere tijd tweeëntachtig jongeren. We kunnen ons een voorstelling van de dagelijkse gang van zaken maken uit de instructies voor de echtparen Mesritz en Baer. Mevrouw Mesritz moet zorgen dat er genoeg te eten is "doch dat overvloed vermeden"wordt en "dat spijzen en dranken ritueel geoorloofd" zijn. De heer Mesritz moet er op toezien "dat geen der jongens de inrichting zonder toezicht verlaten en dat allen des nachts in de jeugdherberg verblijven moeten". Het is de jongens verboden teroken en er zijn alleen bezoekuren op zondag en woensdag van 3:00 tot 5:00 uur. Baer heeft de supervisie over studie, sport, culturele en andere vakken en helpt de jongens daarbij. Hij moet zorgen "dat orde en tucht ten allen tijde heerschen en de onderlinge verstandhouding niets te wenschen overlaat". De jongens krijgen taken opgedragen "opdat zij niet met lediggangden tijd passeren". De herinneringen van Herbert Hecht vullen dit beeld heel aardig aan: "Yes there was discipline, but at a level that was comparable to what youth hostels and user organzations commonly enforce. It wasn't home, but itwasn't a prison either. I think we got up around 7 am, washed and had breakfast, usually cacao, egg and bread with jam. Then there was the kitchen detail and schoonmaken - spreading sand on the floor and brushing it off - or other chores that occupied pretty much the morning. The afternoons were less structured and I remember playing bridge, chess and reading".
De jongens onderhouden zelf de tuin rond het gebouw en bouwen een openluchttheater, dat plaats geeft aan 250 mensen; mogelijk is het pas in 1940-41 af. Hecht herinnert zich het echtpaar Mesritz: "Of all the personnel that you mention I remember only the Mesritzes. They were good souls but not inspiring (apparently none of the others were, either). It seemed to be their mission in life to instruct these backward German Jews about Dutch cleanliness". Desondanks is de sfeer volgens hem goed: "I want to preface the answer to your questions by saying that I have very positive feelings about my stay at De Kleine Haar. I was sixteen years old and quite aware that my fate in Germany would have been to be sent to a concentration camp. I was deeply appreciative, and still am, of beiing allowed into Holland on a Kindertransport. Prior to coming to De Kleine Haar I had spent about a week at the Quarantine Station at Rotterdam and several weeks at the Quarantine Station Amsterdam-Zuiderzee. Both were very temporary quarters and in November/December awfully cold. In contrast, De Kleine Haar promised some permanency. It was at the time quite new with all woodwork beautifully vamished, and in an idyllic setting, even in Winter. I had spent some time in German youth hostels and De Kleine Haar was clearly superior". 
Met de Nederlandse Jeugdherberg Centrale was overeengekomen dat de kinderen welkom zouden zijn tot het begin van het trekkersseizoen, dus tot 15 mei. Deze periode wordt verlengd tot 30 juni, maar dan wordt het vluchtelingenkamp toch opgeheven. Vanaf 1 juli 1939 kunnen Joodse vluchtelingen terecht in een centraal vluchtelingenkamp bij Westerbork, dat de regering heeft laten bouwen om een einde te maken aan de onoverzichtelijke situatie met de her en der door het land verspreide kampen en inrichtingen. De diverse subcommissies van het CJV in Deventer worden begin juli opgeheven. Deventer wordt nog wel uitgenodigd voor een vergadering in Amsterdam over de vraag of het voor de kinderen niet beter is om ze buiten Westerbork op te vangen. Een aantekening op de achterkant van de uitnodiging suggereert dat het comité in Deventer voorstander is van opname in pleeggezinnen of anders kleine tehuizen. Tijdens de vergadering, waar Deventer overigens niet aan deel heeft genomen, zijn er ook anderen die "morele gevaren vrezen voor jongeren, die in gezelschapvan volwassenen buiten gezinsverband opgroeien". In juni blijkt dat de regering dit standpunt heeft overgenomen enkinderen beneden de veertien jaar in gezinnen geplaatst zullen worden. Ook het CJV in Deventer doet zijn best omgastgezinnen te zoeken. Opperrabbijn Hirsch dringt er bij de gelovigen in zijn ressort Overijssel op aan om in hun huisvluchtelingenkinderen op te nemen: anders "dreigt het ernstig gevaar dat verschillende hunner zullen komen in een niet-Joodsche omgeving. Te schilderen wat dit betekend mag wel overbodig heeten". Enkele jongens zijn in de jeugdherberg blijven hangen en in de winter van 1940 op '41 is deze met de plaatsing van een groep jongelui uit Velsen opnieuw als opvangcentrum voor vluchtelingen in gebruik genomen. Daar heeft het vluchtelingencomité in Deventer echter geen bemoeienis meer mee gehad.

Van CLV naar Joodse Raad 
Na de meidagen van 1940 wordt het CJV niet opgeheven. Er zijn immers nog altijd Joodse vluchtelingen in ons land die hulp nodig hebben, en daarvoor moet nog steeds geld ingezameld worden. Toch verandert er wel het een en ander. De vrijwillige bijdrage ontaardt al snel in een extra belasting voor Joden op basis van inkomen en vermogen, niet meer en niet minder dan een voorwendsel om Joden geld af te persen. Slechts een klein deel van de geïnde gelden wordt ook werkelijk besteed aan de opvang van vluchtelingen. Het leeuwendeel dient om de kluizen van de LiRo (Lippmann, Rosenthal & Co.), de roofbank, te vullen. Het zal in 1942 onder meer worden aangewend voor de uitbouw van kamp Westerbork tot een Durchgangslager en om de deportaties die dan beginnen te bekostigen. Al in juli 1940 krijgt Jacob van Spiegel in Twello van het CJV in Deventer te horen dat hij moet voldoen aan "waqt de overheid van ons eist", Hij wordt voorlopig voor een jaar aangeslagen voor ƒ 300,= en als hij niet over de brug wilde komen, "....dan moeten wij de bevoegde autoriteiten hiermede in kennis stellen en de beslissing aan hen overlaten. Het is duidelijk dat het CJV gereduceerd is tot een uitvoeringsorgaan van de bezetter. De maatregelen roepen dan ook weerstand op. De koopman Bernard Gosschalk (Brinkpoortstraat) bijvoorbeeld stelt zich op het standpunt dat het draagkrachtprincipe niet correct is toegepast en weigert hardnekkig te betalen. Geïrriteerd reageert het CJV: "Dat U met belangstelling van ons schrijven van 23 dezer kennis nam, vinden wij heel aardig, maar daar kan het Comité in Amsterdam niet van tellen". 
Na de Februaristaking van 1941 wordt het vluchtelingenwerk overgenomen door de Joodse Raad voor Amsterdam, die van het bezettingsbestuur het monopolie krijgt om alle Joodse zaken te behartigen die niet op het religieuze vlak liggen. De Joodse Raad groeit uit tot een Joodse regering onder Duitse supervisie. met prof. David Cohen als president. Vluchtelingenzaken worden behartigd door de afdeling Emigratie en het Bureau Vluchtelingenhulp. Ook in Deventer gaat het CJV over in een locale afdeling van de Joodse Raad en ook hier wordt het werk door dezelfde mensen voortgezet, zij het dat nog twee leden van het kerkbestuur worden toegevoegd. Vooral in 1942 wordt bovendien een groot aantal vrijwilligers aangetrokken. Hier is veel belangstelling voor, omdat medewerkers op een lijst van Gesperrte komen te staan. Zij menen hiermee van deportatie gevrijwaard te zijn, maar weldra bleek die lijst de zoveelste wortel die Joden is voorgehouden om hun medewerking te verkrijgen en blijkt hij geen enkele bescherming te bieden.

Ondersteuning
Voor zover de Joodse Raad in Deventer zich nog bezighoudt met echt vluchtelingenwerk, betreft dit de ondersteuning van Joden die berooid in ons land terechtgekomen zijn, iets wat tot en met februari 1941 ook tot de taken van het CJV had behoord. Eén van de steuntrekkers in Deventer (acht in totaal) is Arthur Bloch. Hij had op 10 mei 1940 met de Holland-Amerikalijn uit de haven van Rotterdam naar de Verenigde Staten zullen vertrekken, maar door de Duitse inval komt hij zonder middelen met zijn vrouw en twee dochters in Nederland vast te zitten. Net als in april 1933 zoeken zij hun toevlucht in Deventer. Zij betrekken een klein huisje aan de Bokkingshang, dat eigendom is van de Joodse gemeente, en krijgen van het CJV een uitkering van ƒ 37,= per maand, met geregeld toeslagen voor bijzondere uitgaven als schoenenreparaties, een kolentoelage in de winter, steunzolen en dergelijke. In de zomer van 1941 lijkt er verbetering te zullen komen in Blochs financiële positie, doordat hij de ƒ 1.081,50 die hij in Hamburg heeft betaald voor zijn reis naar Amerika terug zal kunnen krijgen. tot dusverre is dat niet gelukt als gevolg van de Devisenbewirtschaftungsgesetz, die het overmaken van geld naar het buitenland verbiedt (om kapitaalvlucht te voorkomen). Nu komt daar verandering in door de opheffing van de deveizengrens tussen Duitsland en het bezette Nederland. Helaas, meevallers van de kant van de Duitse overheid zitten er voor Joden niet in. Bloch had voor de transfer van zijn geld naar Nederland in elk geval al een belasting van 60% moeten betalen. Maar zelfs daar kwam het niet van: hij blijkt zijn vermogen alleen op een Sperrmarkonto in Duitsland te mogenstorten. Dezelfde regeling dus als in nederland, waar Joden hun banktegoeden bij Lippmann, Rosenthal & Co. moeten deponeren maar er niet over mogen beschikken. Alleen hun betalingen aan de Joodse Raad kunnen zij van hun saldo af laten schrijven en dat geld blijft weer bij diezelfde bank. 
Mevrouw Emma Goldschmidt, die door de Joodse Raad in deventer als maatschappelijk werkster is ingezet, heeft meerdere huisbezoeken bij het gezin Bloch afgelegd. Zij gaat na of er andere inkomsten zijn - bijvoorbeeld hulp van familieleden - die een verlaging van het steunbedrag rechtvaardigen. Op 23 januari 1942 brengt zij voor de derde keer rapport uit. De familie is er slecht aan toe omdat Bertha, de zestienjarige dochter, zwaar suikerpatiënt is. Het meisje was in het NIZ te Amsterdam verpleegd en het gezin beweert dat het door de familie Ponatovski niet meer ondersteund word. "Een navraag bij de genoemde familie acht ik wel noodzakelijk, temeer (daar) de opgaven van Bloch van juli l.l. in mijn rapport mij niet ten volle betrouwbaar voorkwamen". Is de toelage voor de Joodse Raad echt de enige bron van inkomsten, dan stelt mevrouw Goldschmidt voor een dieettoeslag van drie gulden per week voor Bertha toe te kennen. Die aanbeveling is door de Joodse Raad in Amsterdam overgenomen. Maar eind augustus 1942 moet Arthur Bloch naar het Joodse werkkamp Lievelde bij Lichtenvoorde, en vandaar is hij op 3 oktober naar Westerbork overgebracht; waarschijnlijk is zijn gezin op diezelfde datum uit Deventer naar dit kamp gedeporteerd. Het verhaal gaat dat Bloch uit Westerbork zou zijn ontsnapt en dat hij daarna in Apeldoorn de hand aan zichzelf zou hebben geslagen omdat hij niet kon leven met het feit dat hij zijn gezin had moeten achterlaten. Volgens officiële lijsten is hij in 1943 in Sobibor omgekomen, enkele maanden na de dood van de andere gezinsleden in Auschwitz. 

Bronnen:
David Cohen: Zwervend en dolend, Haarlem 1955;
L. de Jong:  Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereld Wereldoorlog, 's Gravenhage 1969-1988;
H.J. van Baalen: Joods Leven. Deventer en Omstreken, Deventer 2007;
Brief van Herbert Hecht, Beverly Hills 2005;
SAB Deventer: Stadsarchief: archief van de Nederlandse-Israëlitische Gemeente (onder meer archief van de afdeling Deventer van de Joodse Raad) + politiearchief (onder meer het register van de vreemdelingenpolitie).

(Nog in bewerking is een lijst met vluchtelingen die in Deventer hebben gewoond, met een aantal persoonlijke bijzonderheden.
Aanvullingen en verbeteringen op dit artikel zijn zeer welkom en kunt mailen naar: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.)
 

(met dank aan Dick van der Molen, die een deel van het archiefonderzoek heeft gedaan) 

Ontwerp en realisatie website: Sitestorm