Geschiedenis Joods Deventer

door Herman Vrielink

Deze bladzijde uit een gebedenboek werd teruggevonden na de vernieling van de synagoge door een bende NSB'ers.

In het betreffende fragment staan tragisch genoeg een (deel van een) gebed om uitredding van geweld (tikoené kérie) en de daar bij passende Psalm 77.

Toen agent Brinkhof in de nacht van 25 op 26 juli van het jaar 1941 zijn ronde deed stuitte hij op de Brink op een grote groep NSB’ers, gewapend met breekijzers, knuppels en bijlen.

Zij stonden tegen een brandkraan te slaan en verkeerden kennelijk in een uitgelaten stemming. Hun aanvoerder, jonkheer Sandberg, voegde hem toe dat hij maar beter weg kon wezen. De politieman belde de wachtcommandant en de commissaris, maar de laatste bleek telefonisch in gesprek. Niet lang na Brinkhofs telefoontje werd duidelijk dat de NSB’ers begonnen waren de ruiten van de synagoge in te slaan.

Zij hadden die avond een van hun bijeenkomsten in het NSB-Kringhuis aan de Polstraat gehouden en waren rond middernacht richting Golstraat getrokken om daar de boel kort en klein te slaan. Zij braken de toegang tot de synagoge open, trapten de banken in elkaar, sloegen de heilige ark kapot, verscheurden wetsrollen, vernielden koperwerk en sneden kleden aan stukken. De commissaris had inmiddels alle beschikbare manschappen opgetrommeld, maar toen zij ter plaatse arriveerden was het kwaad al geschied. De vraag is: hadden zij dan niet eerder kunnen komen? Of hadden de Duitse autoriteiten hun verboden tegen het geweld op te treden? Hadden zij Sandberg en zijn kameraden in bescherming genomen of zelfs tot deze wandaad aangezet? Wat het antwoord ook is, er moest wel worden voorkomen dat het voorval tot onrust onder de bevolking zou leiden. De volgende morgen ontstond een oploop van verontwaardigde Deventer burgers voor het vernielde gebouw en de politie werd ingezet om de menigte te verspreiden. De pro-Duitse Koerier, zoals het Deventer Dagblad tijdens de oorlog heette, zweeg in alle talen over wat er gebeurd was en de synagoge werd afgesloten.[1]
ravage in de synagoge
Voor de joodse gemeente zelf kwam de aanslag als een enorme schok. Natuurlijk waren er sinds het begin van de Duitse bezetting al genoeg dingen gebeurd om je zorgen over te maken, maar op deze uitbarsting was zij in Deventer niet voorbereid. Nog in april had de kerkenraad een glasverzekering niet nodig gevonden omdat het risico gering was. De schok kwam des te harder aan omdat de aanval een brute schending van ‘het heiligste van het joodse geloof’ betrof: de aanval had uitgerekend in de nacht van de sabbat plaatsgevonden en de vandalen hadden zich vergrepen aan de heilige Tora, de in de ark bewaarde boekrollen met de vijf boeken van Mozes.[2] De volgende morgen hield de joodse gemeente een bewogen godsdienstoefening in het gemeentelokaal, aangrenzend aan de vernielde synagoge.[3] Naar aanleiding van de treurige gebeurtenis stuurde opperrabbijn Hirsch vanuit Zwolle een ‘herderlijk woord’. Zijn brief was in emotionele bewoordingen gesteld. ‘Diep en diep zijn we onder de indruk van de ramp, die ons getroffen heeft. (…) Onze heerlijke, onze prachtige sjoel is plotseling tot prooi geworden van ontzettend vandalisme. Overal woedde de bijl en sloeg weg banken en parnesbank[4] en tafeltjes (…) en perouches[5] en siferei Toura[6] werden niet gespaard. Het dringt ons door merg en been.’ Maar dan gaat het klaaglied over in een boetepreek. ‘Ge kent die woorden wel. Kinderen heb ik grootgebracht en opgevoed en zij zijn afvallig van mij geworden. (…) Een os kent zijn eigenaar en de ezel de krib van zijn Heer, maar Israel verstaat mij niet. (…) Wee dat zondige volk. (…) zij hebben de Eeuwige verlaten (…) Wat is er van den sjabbos[7] overgebleven. Is de sjabbos niet pijler en zuil van het Jodendom? Wat is er van den sjabbos overgebleven. Een parodie. Een ruïne, een ravage als de synagoge. (…) Half geassimileerd hebben wij jegens Gd. gezondigd. (…) Dit is de straf van de Heer tegen wie wij gezondigd hebben.’[8] De opperrabbijn greep de catastrofe dus aan om zijn gemeente te manen zich aan de sabbatsrust te houden. De kerkenraad besloot de brief niet in zijn geheel voor te lezen, maar ‘iets in dezelfde geest’.[9] Men vond het waarschijnlijk te ver gaan de vernieling van de synagoge als een straf van God voor te stellen. Het was niet de eerste keer dat een van de gemeentes in Overijssel de leiding van de orthodoxe opperrabbijn niet kritiekloos wilde volgen.[10]

Waarom is deze brute aanslag gepleegd? Voor de NSB in Deventer was het op dat moment niet moeilijk om op het idee te komen. In Duitsland waren al in november 1938 tijdens de zogenaamde ‘Reichtkristallnacht’ tweehonderd synagogen in vlammen opgegaan. In Nederland begonnen handlangers van de nazi’s vooral in 1941 steeds openlijker joden te treiteren en ook aanslagen op hun leerhuizen te plegen. Wat dat betreft passen de gebeurtenissen in Deventer in een droevige reeks. In Arnhem was bijvoorbeeld al twee keer geprobeerd de synagoge in brand te steken en veel opzien baarde de brand in de sjoel van Den Haag op 15 mei. Er zouden nog vele aanslagen volgen.[11] Maar waarom is die in Deventer gepleegd en waarom juist toen? De NSB telde hier naar verhouding weinig leden: men schat dat er nooit meer dan 400 zijn geweest, dat is minder dan 1,4 % van de bevolking. Met goedkeuring van de bezettingsautoriteiten echter kon deze kleine fanatieke groep heel wat onheil aanrichten. Nog geen maand na de Duitse inval, op 6 juni 1940, zette de Ortsgruppe Deventer van de NSDAP de toon door aanplakbiljetten met het opschrift Jüdisches Geschäft op ramen en deuren van joodse winkels laten plakken. Dat is door bepaalde elementen waarschijnlijk opgevat als een uitnodiging, want in de nacht van zondag 31 augustus op maandag 1 september werden bij veel joden de ramen ingegooid, naar wij mogen aannemen door NSB’ers. Toen al kon de politie weinig meer doen dan proces-verbaal opmaken: niet een van de daders is gepakt.[12] De stemming zal er niet beter op geworden zijn doordat in die tijd veel vaker ruiten werden ingegooid, wij denken vooral bij NSB’ers en joden. Ook op de Koloniale Landbouwschool kwamen al in 1940 spanningen aan de oppervlakte. Jhr. ir. E.F. Sandberg, die weldra Kringleider van de NSB in Deventer zou worden, verscheen er als leraar wiskunde en werktuigbouwkunde in NSB-uniform voor de klas, dit tot grote ergernis van zijn leerlingen en collega’s. In november verspreidden een leraar en leerling op diezelfde school pamfletten waarin ambtenaren werden opgeroepen niet mee te werken aan de identificatie van joden. Zij werden gearresteerd en moesten in april van het volgende jaar voor het Duitse Landesgericht terechtstaan op beschuldiging van het aanzetten tot politiek verzet. Hun advocaat voerde tot hun verdediging aan dat de maatregelen tegen de joden in dit land verwerpelijk werden gevonden uit het oogpunt van christelijke naastenliefde. De aanklager noemde het gevaarlijk het joodse vraagstuk voor te stellen als een christelijke zaak, het was en bleef een rassenkwestie.[13]

Deze rassenwaan kwam in 1941 in Deventer steeds nadrukkelijk in de openbaarheid. Over de vechtpartijen tussen de WA en joodse knokploegen op 11 februari in de Amsterdamse Jodenhoek meldde De Koerier dat de joden als een ‘beestachtige bende’ tekeer waren gegaan. De ongeregeldheden hadden geleid tot de dood van WA-man Koot: ‘Een Jood beet als een wild dier Koot voortdurend in het gezicht.’[14] Enige dagen later, nog vóór het uitbreken van de Februaristaking, werden bij NSB’ers in Deventer ramen ingegooid. De commissaris van Overijssel[15] waarschuwde in De Koerier dat de daders mogelijk represailles uitlokten tegen medeburgers ‘die zij in feite niet willen treffen’. Met andere woorden, joden zouden het kind van de rekening kunnen worden.[16] Over de Februaristaking die even later uitbrak schreef de krant helemaal niet.

Eind juni hielden de Nederlandse NSDAP en de NSB een gezamenlijke manifestatie op de Brink.[17] Voor de Waag was een podium opgericht, versierd met bloemen. Erachter hing een hakenkruisvlag tussen het ‘oranje-blanje-bleu’ en de vlag van de NSB. Aan weerszijden van een spreekgestoelte stonden een Dienstgruppe van de NSDAP en een erewacht van de WA. Op een spandoek stond Mit Adolf Hitler in den Sieg. Een luidsprekerinstallatie liet marsmuziek over het plein schallen. Dr. Schröder, de Beauftragte voor Overijssel, verkondigde dat Duitsland nu ter bescherming van Europa tegen de joodse wereldmacht in het oosten, de Sovjetunie, was aangetreden. Het nationaal-socialisme kon zich niet meer alles laten welgevallen. ‘Deze hulptroepen van Moskou’ - hij bedoelde de joden - ‘wil men niet meer binnen onze grenzen zien’. Er bestond nog slechts één wens, namelijk dat de Rijkscommissaris de joden uit de Nederlandse volksgemeenschap zou stoten. ‘Als Duitse en Nederlandse volksbeweging’ verlangen we thans ‘dat iedere volksgenoot een Jood met verachting bejegent en dat hij zonder medelijden inziet, dat de jood de ergste vijand van Europa is. Ik heb derhalve de wens dat vanaf heden in geen enkel café-restaurant een Jood als gast wordt aangetroffen’. Zo werden dus de geesten rijp gemaakt voor een steeds verdergaand anti-joods sentiment. En de burgemeester en de commissaris van politie hadden door hun aanwezigheid de bijeenkomst als het ware met hun gezag onderstreept.

En dan breekt de vijfentwintigste juli aan, de dag voorafgaande aan de vernieling van de synagoge. De politie constateert die dag dat de borden met het opschrift Voor Joden verboden bij de ingangen van plantsoenen in Deventer door onbekenden zijn verwijderd. De bordjes moeten zijn geplaatst na 31 mei, toen in een landelijke verordening joden de toegang tot zwembaden en openbare parken verboden was. Wij beschikken niet over een verslag van de kringvergadering die de NSB die avond in de Polstraat hield, maar wij kunnen ons wel voorstellen dat men zich opgewonden heeft over het weghalen van de borden en het nu tijd vond worden om de joden een lesje te leren.[18] De volgende dag werden, zoals wij al zagen, niet de daders gestraft maar kregen de joden meer beperkingen opgelegd. Op last van de Procureur-Generaal werden niet alleen de plantsoenen en zwembaden opnieuw Voor Joden verboden, ook in de schouwburg en de hotels in Deventer mochten zij voortaan niet meer komen.[19]
5 kostenraming knuttelVoor de joodse gemeente zou niet bij de vernielingen van die ene nacht blijven. In november 1942 werd besloten de vier Torarollen die de nacht van de aanslag ongeschonden overleefd hadden, in veiligheid te brengen in de Hoofdsynagoge in Amsterdam. Een logische beslissing in een tijd dat het voortbestaan van de joodse gemeente bedreigd werd door deportaties en gedwongen verhuizingen naar Amsterdam. Maar helaas, de rollen werden uit de verhuiswagen gestolen. Eén ervan is uit de Amstel opgevist en kon nog te drogen gelegd worden, maar de andere drie bleven verloren.[20] Na de oorlog is dat verlies op € 3000 getaxeerd. Kort na de vernieling van de synagoge was de situatie nog zo dat de gemeente Deventer haar eigen molestverzekering aansprak voor het vergoeden van de schade aan de synagoge. Er werd overeengekomen dat de verzekering € 3935,37 zou vergoeden en dit bedrag in januari 1942 zou uitkeren. Na de oorlog bleek de schade nog flink te zijn opgelopen. In 1946 berekende het kerkbestuur de totale oorlogsschade voor de joodse gemeente in Deventer op € 27.415. De extra schade was het gevolg van roof, nog meer vernielingen en bombardementen, niet alleen aan de synagoge maar ook aan het joodse godsdienstschooltje en de begraafplaats. Een woning aan de Bokkingshang, eigendom van de joodse gemeente, was zo ernstig beschadigd dat herstel onbetaalbaar was en het gebouw aan de Gemeente Deventer verkocht moest worden.[21]

Dankzij collectes en landelijke regelingen voor vergoeding van oorlogsschade kon de synagoge na een restauratie onder leiding van de bekende Deventer architect Knuttel op 8 juni 1947 heropend worden, maar de definitieve afhandeling van de schadevergoeding bleef nog jaren slepen. Lang heeft de joodse gemeente ook niet van de herstelde synagoge kunnen genieten. Zij was te klein geworden om een dergelijk gebouw te kunnen onderhouden en in 1952 is het pand verkocht aan de christelijk-gereformeerde gemeente in Deventer.[22]

Bronnen

  • Archief EHC - Documentatiemateriaal verzameld door Lex Rutgers voor het Etty Hillesum Centrum
  • De Koerier - Deventer Dagblad mei 1940 - maart 1945
  • NIG - Archief van de Nederlands-Isra‘litische Gemeente
  • NIW - Nieuw Isra‘litisch Weekblad
  • PDR - Politiearchief: Politiedagrapporten
  • SAD - Stadsarchief Deventer


Gebruikte literatuur

  • Van Baalen - H.J. van Baalen, Joods leven in Deventer en omstreken, Deventer 1998
  • Van den Dungen - J. Zwaan, A. Zondergeld-Hamer (red.), P. van den Dungen e.a., De zwarte kameraden. Een geïllustreerde geschiedenis van de NSB, Weesp 1984
  • Erdtsieck - I. Erdtsieck, De emancipatie van de Joden in Overijssel 1796-1940, Assen 1995
  • Jansma - K. Jansma, L. Jansma, M. Schroor (ed.), Tweeduizend jaar geschiedenis van Overijssel (Leeuwarden 1990)
  • De Jong - L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederland in de Tweede Wereldoorlog, 13 delen, ’s-Gravenhage 1969-1988
  • Lancaster - B. Lancaster, Elementen van Jodendom, Naarden 1993
  • Michman - J. Michman, H. Beem, D. Michman, Pinkas. Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland, Amsterdam / Antwerpen 1999 (oorspronkelijke Hebreeuwse editie: Jeruzalem 1985)
  • Moore - B. Moore, Slachtoffers en overlevenden. De Nazi-vervolging van de joden in Nederland, Amsterdam 1998 (oorspronkelijke Engelse editie 1997)
  • Vos - K.H. Vos, C. Hilbrink, Klakkende laarzen aan de IJssel. Deventer en zijn inwoners in de Tweede Wereldoorlog, Nieuwegein 1995

[1] K.H. Vos schrijft in Klakkende laarzen langs de IJssel dat de politie niet mocht optreden, maar wij kunnen zijn informatiebron niet natrekken door het ontbreken van een notenapparaat. In ieder geval had jhr. ir. E.F. Sandberg, die de plaatselijke kringleider van de NSB was en in 1941 lid van de SS was geworden, goede relaties met de Duitse autoriteiten. Hij zal die nacht in het uniform van de NSB of de SS verschenen zijn. Hij trad in 1941 toe tot de SS, maar wij weten niet of dit vóór of n?° de aanslag op de synagoge was. (Vos p. 62) Zie verder Van Baalen p. 163-165 (hij is de eerste die uitvoerig over de vernieling van de synagoge heeft bericht); Vos p. 67-68; SAD, NIG, Notulen kerkenraad 14-4-1941 en 7-12-1941; SAD, PDR 83, doos 37: 25 en 26-7-1941; Herman Gelder, voorzitter van de joodse gemeente, in NIW 8-6-1947;

[2] SAD, NIG, Notulen kerkenraad 7-12-1941; NIW 8-6-1947; vgl. Lancaster p. 54.

[3] Cf. Van Baalen p. 165

[4] Bank voor de kerkenraad.

[5] Parochet: rijkelijk versierd gordijn in fluweel, zijde of brokaat waarmee de heichal, de Toraschrijn, wordt afgesloten.

[6] Meervoud van Sefer Tora: heilige wetsrollen.

[7] Sabbat.

Met dank aan Dick van der Molen voor de research.

Ontwerp en realisatie website: Sitestorm